hof - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hof hoven
verkleinwoord hofje hofjes

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. o: (adel) de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
    • De koning en de andere mensen aan het hof.
      Dit alles omdat Latijn de taal was die toegang gaf tot de universiteit, de rechtspraak, een kerkelijke carrière, of een baan aan het hof of in de diplomatieke dienst.[2]
      Hendrik, die resideerde in Bergen op Zoom, moest immers ook regelmatig met zijn hele hofhouding naar het hof in Brussel, of naar Mechelen, waar de Grote Raad zetelde, of naar Leuven.[2]
  2. o: (juridisch) een instelling waar recht gesproken wordt
    • Het hof sprak hem vrij.
  3. m: (tuinieren) een stuk bebouwd land of tuin, gaard
    Ik had op de kaart gezien dat ik mij zo zou vastlopen in hoven en binnentuinen als een stier in een rode lap. Ik moest er niet van uitgaan dat Venetië een stratenplan had. Het was niet zo dat er ooit in redelijkheid was gebouwd op afgebakende kavels langs een rationele straatweg.[3]
  4. m: houten omheining
  5. o boerderij, boerenwoning, hoeve
  6. o buitenverblijf, landgoed
  7. o binnenplaats, werf
    Vanaf de klassieke periode is het centrale element de palaestra (het worstelperk): een open vierkante hof omringd door zuilengalerijen met daarachter oefenruimtes, opslagplaatsen en vergader- of banketzalen (want religieuze banketten waren een belangrijk onderdeel van de gymnasiumcultuur).[4]
  8. m (astronomie) halo
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iemand complimentjes geven, hem/haar huldigen; tegenwoordig vooral gezegd van een man die een vrouw probeert te versieren [3]

Hij heeft Regine omarmd en gekust, hij heeft haar maandenlang het hof gemaakt.[5]

Stoett-914 [6]

Vertalingen

1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie

2. een instelling waar recht gesproken wordt

3. een stuk bebouwd land of tuin

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hof" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Jan Bloemendal
    “Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312541
  3. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 23

  4. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275

  5. Daan Bronkhorst
    “Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025313562
  6. www.dbnl.org
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Drents

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. tuin
Synoniemen

Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief hof hove
genitief hoves hove
datief hove hoven
accusatief hof hove

Zelfstandig naamwoord

hof o

  1. hof

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. tuin
Schrijfwijzen
Synoniemen
gaarden gaarn goarden goarn Goârn Goorn teun toen toene tuin tune tuun

Meer informatie

Sallands

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. tuin
Synoniemen

Twents

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. tuin
Synoniemen
gaarden gaarn goarden goarn toen tuin

Veluws

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. tuin
Synoniemen

Meer informatie