horloge - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een pols_horloge_

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord horloge horloges
verkleinwoord horlogetje horlogetjes

Zelfstandig naamwoord

het horloge o

  1. (tijdrekening) een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
    • Ik ben mijn horloge vergeten.
      Naast hem staat een vrouw die in de korte tijd waarin ik op haar afloop al drie keer op haar horloge heeft gekeken.[2]
      Zijn horloge was in het water stil blijven staan op tien over zes.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "horloge" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340

  3. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

l'équipe d'une fabrique d’horloges publiques Louis-Delphin Odobey Cadet à Morez, Alsace
de ploeg van de torenklokkenfabriek Louis-Delphin Odobey Cadet, te Morez in de Elzas

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
horloge l'horloge horloges les horloges

Zelfstandig naamwoord

horloge v

  1. (tijdrekening) uurwerk, torenklok
Afgeleide begrippen