hotel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een "Plaza Hotel" in de stad New York

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hotel hotels
verkleinwoord hotelletje hotelletjes

Zelfstandig naamwoord

het hotel o

  1. (horeca) (toerisme) gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
    • Een hotel aan het strand.
    • Er kwamen meer badkoetsen, de Badhuisweg werd aangelegd om de stad te verbinden met de badplaats en er werd een hotel gebouwd: het Grand Hotel des Bains, dat in 1886 feestelijk werd geopend.[3]
      `Heeft het **hotel** een nieuwe eigenaar?' vroeg ik._
      _`Onlangs is Grand Hotel Europa overgegaan in Chinese handen,'zei hij. 'De nieuwe eigenaar heet meneer Wang. Het gaat om een recente ontwikkeling die we op dit moment onmogelijk kunnen beoordelen.
      [4]
      In 2008 openenden Jonnie en Thérèse Boer een hotel in een voormalige gevangenis in Zwolle[5]
  2. (bij uitbreiding) tijdelijk onderkomen voor (huis)dieren, als bijv. de eigenaars eigen tijd weg zijn; dierenpension
  3. (verouderd) gebouw v.e. gezantschap
  4. spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Min of meer spottende benaming voor het ouderlijk huis, wanneer de kinderen terwijl ze al volwassen zijn hier nog wonen of veel logeren

Vertalingen

1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hotel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. hotel op website: Etymologiebank.nl
  3. Het Vlissingse strand, zeeuwseankers.nl 4 juni 2015
  4. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  5. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
hotel hotels

Zelfstandig naamwoord

hotel

  1. (horeca), (toerisme) hotel zn

Indonesisch

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

hotel

  1. (bouwkunde), (toerisme) hotel
Afgeleide begrippen

Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hotel m

  1. (horeca), (toerisme) hotel zn
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief hotel hotele
genitief hotelu hoteli/hotelów
datief hotelowi hotelom
accusatief hotel hotele
instrumentalis hotelem hotelami
locatief hotelu hotelach
vocatief hotelu hotele

Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

hotel m

  1. (bouwkunde)(toerisme)(horeca) hotel; gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Meer informatie

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
hotel hoteles

Zelfstandig naamwoord

hotel m

  1. (bouwkunde), (toerisme) hotel

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hotel monbezield

  1. (bouwkunde)(toerisme)(horeca) hotel; gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | hotel | hotely | | genitief | hotelu | hotelů | | datief | hotelu | hotelům | | accusatief | hotel | hotely | | vocatief | hotele | hotely | | locatief | hotelu | hotelech / hotelích | | instrumentalis | hotelem | hotely |

Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
grandhotel monbezield hotelík monbezield hotelní hotelový hotelský hotýlek monbezield interhotel monbezield
Typische woordcombinaties
boutique hotel / butikový hotel monbezieldboetiekhotel bydlet v hotelu – in een hotel wonen hodinový hotel monbezield lázeňský hotel monbezield recepce hotelu ubytování v hotelu ubytovat se v hotelu – in een hotel wonen
Verwante begrippen
hostel monbezield hotelíček monbezield hoteliér mbezield hoteliérka v hoteliérství o hotelnictví o hotelově (bw.) botel monbezield motel monbezield rotel monbezield

Meer informatie

Verwijzingen