huisdier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisdier huisdieren
verkleinwoord huisdiertje huisdiertjes

Zelfstandig naamwoord

het huisdier o

  1. (dierkunde) een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
    • De buren hebben een hond als huisdier.
Hyponiemen
Vertalingen

1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be