humiliëren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

humiliëren [2]

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
humiliëren humiliëerde gehumiliëerd
zwak -d volledig
  1. overgankelijk vernederen, beledigen
  2. onovergankelijk zich bescheiden opstellen
Synoniemen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. humiliëren op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be