humor - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een schilderij met blotebillenhumor uit de 17e eeuw.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord humor -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord humor humores
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de humor m

  1. iets wat grappig is
    • Dat is pas echte humor!
      Een voorbeeld van humor is voor Kierkegaard de parabel van de zeelieden die manhaftig proberen hun schip in goede staat te houden, terwijl dat schip aan het zinken is.[3]
      Kierkegaard spreekt van ironie als middel waarmee mensen de overgang maken van esthetisch naar ethisch bewustzijn, en van humor als middel om de stap van het ethische naar het religieuze bewustzijn te maken.[3]
  2. het vermogen om grappig te zijn
    • Hij heeft veel humor.
      De auteur had lovende woorden voor Kierkegaards humor en intellect, maar vroeg zich af of Kierkegaard zijn talent ooit voldoende zou kunnen beheersen om een samenhangend en volledig boek te schrijven.[3]
  3. (medisch) lichaamsvocht, vochtigheid
    • In een oude middeleeuwse theorie werden vier humores onderscheiden: slijm, bloed, gele en zwarte gal.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "humor" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. humor op website: Etymologiebank.nl
  3. 1 2 3
    Daan Bronkhorst
    “Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025313562
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

humor

  1. humor; het vermogen om grappig te zijn

Veluws

Zelfstandig naamwoord

humor

  1. humor; het vermogen om grappig te zijn

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
humor humores

Zelfstandig naamwoord

humor m

  1. (medisch) lichaamsvocht
  2. stemming, humeur
  3. aard, karakter
  4. humor

Verwijzingen