hun - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

| | enkelvoud | meervoud | | | | | -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ | | onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | | | 1e persoon | ik'k | mijme | wijwe | ons | | 2e persoon_(informeel)_ | jijje | jouje | jullie | jullie | | 2e persoon_(formeel)_ | u | u | u | u | | 2e persoon_(regionaal)_ | gijge | u | gijge | u | | 3e persoon_(mannelijk)_ | hijie | hem'm | zijze | (dat.) hun(acc.) henze | | 3e persoon_(vrouwelijk)_ | zijze | haar'r, d'r | | | | 3e persoon_(onzijdig)_ | het't | het't | | | | 3e persoon_(genderneutraal)_ | hen | hen | | | | Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | | | | |

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

hun

  1. persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud, datief, specifiek verwijzend naar een groep personen
    • Ik heb het hun gegeven.
Woordherkomst en -opbouw
Opmerkingen

In de officiële grammatica van het Nederlands wordt deze vorm onderscheiden van de accusatiefvorm hen. Dit onderscheid, bekend als het systeem-Van Heule, is echter historisch gezien geheel kunstmatig.[3] In de spreektaal is hun dan ook regelmatig te horen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel (Ik hen hun gezien, e.d.), waar het dus volgens de regels hen zou moeten zijn.

In m.n. het westen en midden van Nederland is hun sinds de 20e eeuw bovendien in gebruik als onderwerpsvorm voor de derde persoon meervoud naast zij/ze (uitsluitend om te verwijzen naar mensen), maar dit gebruik geldt niet als standaardtaal en wordt door taalinstanties meestal afgekeurd.

Vertalingen

Persoonlijk voornaamwoord

| | enkelvoud | meervoud | | | | | -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ | ----------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ | ----------------------------------------------- | | bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | | | 1e persoon | mijnm'n | mijne | ons, onze | onze | | 2e persoon_(informeel)_ | jouwje | jouwe | jullieje | - | | 2e persoon_(formeel)_ (regionaal) | uw | uwe | uw | uwe | | 3e persoon_(mannelijk)_ | zijnz'n | zijne | hun | hunne | | 3e persoon_(vrouwelijk)_ | haard'r, 'r | hare | | | | 3e persoon_(onzijdig)_ | zijnz'n(ervan) | zijne | | | | 3e persoon_(genderneutraal)_ | hun | hunne | | | | Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | | | | |

Bezittelijk voornaamwoord

hun

  1. bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud
    • De mannen hebben hun geweren geladen.
      We besloten allemaal tegelijk af te dalen om elkaar tijdens de steile stukken bij te kunnen staan. We waren niet goed voorbereid op deze omstandigheden. Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.[4]
      Betrokkenheid: Ook bijvoorbeeld de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed maakt gebruik van faciliteiten en kennis van de afdeling, net als grote ingenieursbureaus. Daarnaast hebben grote namen in de industrie, zoals Boskalis en Shell, veel aardwetenschappers nodig vanwege hun kennis over de bodem. En ook Energie Beheer Nederland (EBN) kan voor bijvoorbeeld vraagstukken over aardwarmte niet zonder dit soort kennis.[5]

Zelfstandig naamwoord

de hun mv

  1. verouderde spelling of vorm van Hun tot 2006
Opmerkingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hun" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. hun op website: Etymologiebank.nl
  3. "Jan G. Kooij" in the World's Major Languages edt. Bernard Comrie 1990, Oxford University Press ISBN 0-19-520521-9.

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Naar frequentie 37

Persoonlijk voornaamwoord

hun

  1. (3e persoon enkelvoud nominatief vrouwelijk), (alleen voor personen en gepersonificeerde begrippen) zij
    «Moren min sa at hun skulle gjøre det.»
    Mijn moeder zei dat ze het zou doen.
Verwante begrippen
Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het Bokmål)
getal / respect pers. genus / bezield onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e jeg ik meg mij
2e du jij deg jou
3e m persoonm ding han den hij han / ham den hem
v persoonv ding hun den zij henne den haar
o det het det het
meervoud 1e vi wij oss ons
2e dere jullie dere jullie
3e de zij dem hen
beleefdheidsvorm 2e De u Dem u

Nedersaksisch

Persoonlijk voornaamwoord

hun

  1. hun; 3e persoon meervoud datief en accusatief

Bezittelijk voornaamwoord

hun

  1. hun; eigendom van derde persoon meervoud

Veluws

Persoonlijk voornaamwoord

hun

  1. hun; 3e persoon meervoud datief en accusatief

Bezittelijk voornaamwoord

hun

  1. hun; eigendom van derde persoon meervoud