huur - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huur huren
verkleinwoord huurtje huurtjes

Zelfstandig naamwoord

de huur v / m

  1. (juridisch) het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
  2. geldbedrag waarvoor men huurt
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling

Werkwoord

vervoeging van
huren

huur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Ik huur.
  2. gebiedende wijs van huren
    • Huur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Huur je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "huur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 261
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be