imitator - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord imitator imitatorenimitators
verkleinwoord imitatortje imitatortjes

Zelfstandig naamwoord

de imitator m

  1. iemand die een ander persoon nadoet
Synoniemen
Vertalingen

iemand die een ander persoon nadoet

Duits: Imitator (de) m Engels: imitator (en) Frans: imitateur (fr) m Spaans: imitador (es) m

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "imitator" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. imitator op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

enkelvoud meervoud
imitator imitators

Zelfstandig naamwoord

imitator

  1. imitator
Synoniemen