inkeer - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inkeer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de inkeer m

  1. het anders gaan denken of doen als iemand zich realiseert dat die fout dacht of handelde

Werkwoord

vervoeging van
inkeren

inkeer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkeren
    • ... dat ik inkeer.
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "inkeer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. inkeer op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be