instrueren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
instrueren instrueerde geïnstrueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

instrueren overgankelijk

  1. een vaardigheid onderwijzen
  2. (juridisch) (een zaak) voorbereiden
    Niemand in die wachtkamer heeft er waarschijnlijk speciaal om gevraagd om geïnstrueerd te worden in de wereld van de rechtswetenschap door juridisch medewerker Rosenquist of juridisch medewerker Letang?' probeerde hij.[3]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "instrueren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. instrueren op website: Etymologiebank.nl

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044633535
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be