inwendig - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘van binnen zittend’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1]
- Samenstellende afleiding van in en de stam van wenden met het achtervoegsel -ig [2]
inwendig
- in het lichaam bevindend
- Hij had last van een inwendige parasiet, die operatief verwijderd diende te worden.
- in de geest bevindend
- Op dat moment was hij inwendig aan het koken.
| 99 % |
van de Nederlanders; |
| 100 % |
van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "inwendig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ inwendig op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be