jaap - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jaap japen
verkleinwoord jaapje jaapjes

Zelfstandig naamwoord

de jaap m

  1. lelijke wond, diepe snee
    • Hij had een flinke jaap boven het oog.
Vertalingen

1. lelijke wond, diepe snee

Werkwoord

vervoeging van
japen

jaap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van japen
    • Ik jaap.
  2. gebiedende wijs van japen
    • Jaap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van japen
    • Jaap je?

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "jaap" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be