jongeheer - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jongeheer jongeheren
verkleinwoord jongeheertje jongeheertjes

Zelfstandig naamwoord

de jongeheer m

  1. (persoon) een jong persoon van het mannelijk geslacht
    • Jongeheer, kom je even mee?
  2. (informeel), (anatomie) mannelijk geslachtsorgaan, penis, piemel
    • De man liet zijn jongeheer zien.
Vertalingen

1. een jong persoon van het mannelijk geslacht

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be