jubelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
jubelen jubelde gejubeld
zwak -d volledig

Werkwoord

jubelen

  1. inergatief juichen
    • Het hele publiek jubelde voor de spelers.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "jubelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Naar frequentie 36910

Zelfstandig naamwoord

jubelen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van jubel

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

jubelen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van jubel