kam - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kam kammen
verkleinwoord kammetje kammetjes

Zelfstandig naamwoord

de kam m

  1. getand object om haren mee te verzorgen
    • Ik heb geen kam bij me.
  2. (biologie) lichaamsdeel van een vogel, reptiel of ander dier, bijv. hanenkam
    • De kip heeft een kam en een lel.
  3. (muziekinstrument) onderdeel van een snaarinstrument waarover de snaren strak gespannen worden, met het doel de onderlinge afstand te bewaren of de trillingen op het resonantielichaam over te brengen
    • De kam van een viool.
  4. (figuurlijk) rij getande objecten, bijv. bergkam
    • Ik begon al te vermoeden dat de secretaresse van advocaat Valera slimmer was dan ze eruit had gezien en me een vals adres had gegeven, toen mijn oog op een doorgang viel die vanaf het trottoir een kleine vijftig meter doorliep tot aan een donker hekwerk met een kam van speren.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

op dezelfde manier beoordelen/behandelen

In groot gevaar zijn.

Vertalingen

1. getand object om haren mee te verzorgen

2. lichaamsdeel van een vogel, reptiel of ander dier

3. onderdeel van een snaarinstrument

Werkwoord

vervoeging van
kammen

kam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
    • Ik kam.
  2. gebiedende wijs van kammen
    • Kam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
    • Kam je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "kam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. kam op website: Etymologiebank.nl
  3. Het spel van de engel, C.R. Zafón, 2012
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kam kamme
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kam

  1. kam; getand object om haren mee te verzorgen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

kam

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kommen
  2. derde persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kommen

Kasjoebisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kam m

  1. steen, kei

Lets

naamval enkelvouden meervoud
nominatief kas
genitief
datief kam
accusatief ko
instrumentalis ar ko
locatief (kur)

Vragend voornaamwoord

kam

  1. aan/voor wie, wat, welke, waaraan, waarvoor (datief van kas)

Betrekkelijk voornaamwoord

kam

  1. aan/voor wie, wat, welke, waaraan, waarvoor (datief van kas)

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

kam

  1. kam; getand object om haren mee te verzorgen
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Pools

Uitspraak
Woordafbreking

Voornaamwoord

kam

  1. (verouderd) waar, waarheen
Synoniemen

Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking

Voornaamwoordelijk bijwoord

kam

  1. waarheen, waar naar toe
    «Kam ideš?»
    Waar ga je naar toe?
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Stellingwerfs

Zelfstandig naamwoord

kam

  1. kam; getand object om haren mee te verzorgen
Schrijfwijzen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Voornaamwoordelijk bijwoord

kam

  1. waarheen, waar naar toe
    «Kam jdeš?»
    Waar ga je naar toe?
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
čertvíkam kamkoli / kamkoliv kampak kams kdovíkam / kdožvíkam leckam ledakam málokam někam nikam všelikam všudykam
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

kam monbezield

  1. steen
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | kam | kamy | | genitief | kamu | kamů | | datief | kamu | kamům | | accusatief | kam | kamy | | vocatief | kame | kamy | | locatief | kamu | kamech | | instrumentalis | kamem | kamy |

Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

kam

  1. genitief meervoud van kama

West-Vlaams

Zelfstandig naamwoord

kam

  1. kam; getand object om haren mee te verzorgen