karbouw - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

1. Drie karbouwen nemen een bad.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord karbouw karbouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de karbouw m

  1. (evenhoevigen) (landbouw) bepaald soort zoogdier, Bubalus arnee bubalis op Wikispecies, een tot de runderen behorend trekdier dat veel gebruikt wordt op rijstvelden
    • In Indonesië is een karbouw een alledaagse verschijning.
      De geest van de gestorvene wordt uitgeleide gedaan naar de andere wereld door hem of haar overvloedige geschenken mee te geven: karbouwen (waterbuffels), varkens, rijst.[2]
Synoniemen
Vertalingen

1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "karbouw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 19 juni 2022 Weblink bron
    Dirk Vlasblom
    “Bloemen op een graf” (27 december 2010) op nrc.nl op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be