kas - WikiWoordenboek (original) (raw)

De Glazen Stad.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kas kassen
verkleinwoord kasje kasjes

Zelfstandig naamwoord

de kas v / m

  1. (tuinbouw) een doorzichtige en meest glazen constructie die het cultiveren mogelijk maakt van planten die een ander klimaat vergen dan buiten heerst
    • Het Westland heet vanwege zijn vele kassen ook wel de Glazen Stad.
  2. omhulsel waarin iets is opgesloten (-> borstkas, oogkas, tandkas)
  3. de bak die het ontvangen geld bevat
    • In onze winkel is ieder personeelslid verantwoordelijk voor zijn eigen kas.
  4. (figuurlijk) (financieel), (economie) de liquide middelen van een organisatie
    • We hebben op het moment niet zoveel geld in kas.
  5. in sommige gevallen afkorting van kast (-> windkas)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

te weinig geld bezitten

Een paar jonge gasten die krap bij kas zaten leefden zo’n beetje van het eten dat ze in de hiker box vonden. [3]

Vertalingen

1. de bak die het ontvangen geld bevat

3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...

Werkwoord

vervoeging van
kassen

kas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    • Ik kas.
  2. gebiedende wijs van kassen
    • Kas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
    • Kas je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. kas op website: Etymologiebank.nl
  2. "kas" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Lets

naamval enk en mvm en v
nominatief kas
genitief
datief kam
accusatief ko
instrumentalis ar kam
locatief (kur)

Vragend voornaamwoord

kas

  1. wie, wat (nominatief)
    «Kas tas ir?»
    Wie is dat? / Wat is dat?
    «Kas tā par grāmatu?»
    Wat is dat voor een boek?

Betrekkelijk voornaamwoord

kas

  1. wie, (degene) die, (dat) wat, welke (nominatief)
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Necēri uz to, kas nav vēl rokā.»
    Hoop niet op dat wat je nog niet in handen hebt: Reken je niet rijk

Nedersaksisch

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. (religie)(kerst)(feest) kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
Schrijfwijzen
kaarst karst kärst kast kerst kìrst
Synoniemen
joel jool joul käärstmissen karsemes karsttied kasfees kastdaegen kastfeest kastmis kìrsttied midwinter mirreweenter Wiehnachten Wiehnachtstied wienachten wienachtstied

Meer informatie

Meer informatie

Papiaments

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. huis

Sallands

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. (religie)(kerst)(feest) kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
Schrijfwijzen
Synoniemen

Turks

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. spier
Synoniemen

Twents

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

kas

  1. (religie)(kerst)(feest) kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
Synoniemen