keel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

keel (1)

keel (2)

Uitspraak
Woordafbreking
1,2 enkelvoud meervoud
naamwoord keel kelen
verkleinwoord keeltje keeltjes
Woordherkomst en -opbouw
3 enkelvoud meervoud
naamwoord keel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[A] de keel

  1. v/m: (anatomie) voorste, uitwendige gedeelte van de hals
    • De chauffeur kreeg een mes op zijn keel en moest zijn geld afstaan.[2]
  2. v/m: (anatomie) lichaamsopening beginnend achter in de mondholte waardoor voedsel en drank het lichaam in komt
    • Wanneer een cliënt schrikt van een handeling of aanraking zal hij reflexmatig inademen waardoor de voedselbrok nog verder de keel in kan schieten.[3]
      Ik wil gillen, maar mijn keel zit dicht.[4]
Typische woordcombinaties
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

de overgang van jongensstem naar mannenstem ondergaan hebben (door de groei van het strottenhoofd)

verdrietig of ontroerd zijn

een schrapend geluid maken in de keel, als voorbereiding om te gaan spreken

drinken (van met name alcoholische dranken)

drankverslaving kan leiden tot armoede

bekakt praten

schreeuwen

Ik heb er genoeg van, ik ben het helemaal zat

  1. De soupers aan het hof beginnen me behoorlijk de keel uit te hangen.[5]

iemand door bedreiging of intimidatie tot iets trachten te dwingen

iemand aanvallen

iets uit afkeer niet op kunnen eten

hij was heel erg ongerust, bang

Mijn hart bonkte in mijn keel en de rest van de dag stond ik op scherp. [6]

Anagrammen
Vertalingen

1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals

Zelfstandig naamwoord

[B] het keel o

  1. (heraldiek) rood
    • Wapen van Hendrik I, hertog van Brabant: in (sabel) een leeuw van goud (ingekleurd), getongd en genageld van keel.[7]

Werkwoord

vervoeging van
kelen

keel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kelen
    • Ik keel.
  2. gebiedende wijs van kelen
    • Keel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kelen
    • Keel je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "keel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Taxichauffeur krijgt mes op zijn keel en moet geld afstaan aan tweetal, WNL, 18 januari 2019
  3. Wat te doen bij verslikken, zorgvoorbeter.nl

  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340

  5. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  6. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  7. Het Haagse handschrift van heraut Beyeren: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 131 G37. Uitgeverij Verloren, 1999ISBN 9065500340, ISBN 9789065500342
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
keel keels

Zelfstandig naamwoord

keel

  1. (scheepvaart) kiel
Uitdrukkingen en gezegden
Anagrammen

Estisch

Zelfstandig naamwoord

keel

  1. taal