kibbelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
kibbelen kibbelde gekibbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kibbelen

  1. inergatief woordenstrijd hebben
    • De kinderen kibbelden weer eens op de achterbank.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. woordenstrijd hebben

Duits: sich zanken (de) Engels: quibble (en), argue (en) Frans: se chamailler (fr) Indonesisch: ribut (id), bersengketa (id) Spaans: reñir (es), disputar (es), altercar (es)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "kibbelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. kibbelen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be