kinderlijk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kinderlijk kinderlijker kinderlijkst
verbogen kinderlijke kinderlijkere kinderlijkste
partitief kinderlijks kinderlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

kinderlijk

  1. overeenkomstig de aard van een kind (kindsheid), zoals een kind is of doet
    • Soms gedroeg hij zich ronduit kinderlijk.
      Bennink weet van alles een muziekinstrument te maken, zegt de jury. "81 is hij nu, maar hij benadert muziek nog altijd met kinderlijk enthousiasme."[4]
  2. naïef, onbevangen
Typische woordcombinaties
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord kinderlijk kinderlijken
verkleinwoord kinderlijkje kinderlijkjes

Zelfstandig naamwoord

het kinderlijk o

  1. dode lichaam van een kind
    Dat veel graven in inscripties ndr heten, “gelofte”, helpt niet: het kinderlijk kan zowel een in dank gebracht mensenoffer zijn als een jonggestorven kind zijn, begraven in de hoop op een nieuw kind, waarvoor een gelofte kan zijn gedaan. De grafschriften brengen ons dus niet veel verder.[5]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen