klaarmaken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
klaarmaken maakte klaar klaargemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

klaarmaken

  1. overgankelijk voorbereiden
    • Hij was de presentatie aan het klaarmaken.
      Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.[1]
  2. overgankelijk uit ingrediënten klaarmaken
    • Zij hadden voor ons een heerlijke maaltijd klaargemaakt.
  3. overgankelijk (seksualiteit) iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    • Tijdens het minnespel had hij haar oraal klaargemaakt.
Vertalingen

2. uit ingrediënten klaarmaken

3. iemand bevredigen en tot een orgasme brengen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen