klappen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
klap klappend
klappen
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
klappen klapte geklapt
zwak -t volledig

Werkwoord

klappen

  1. inergatief als vertoon van bijval, dank of bewondering de open handen ineenslaan
    • Het publiek klapte beleefd, maar meer ook niet.
  2. ergatief plotseling een luid geluid voortbrengen
    • De omvallende fiets klapte tegen de vloer.
    • Met de punt van een speld liet zij de ballonnen klappen.
  3. inergatief (informeel) praten op een gemoedelijke of niet ernstige manier
  4. overgankelijk zo bewegen of raken dat het plotseling een luid geluid maakt
    • Hij boos klapte hij de borden op tafel.
Synoniemen
Opmerkingen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

iets met rake klappen bekopen

Zelfstandig naamwoord

de klappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klap

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. klappen op website: Etymologiebank.nl
  4. 1 2 "klappen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord
klappen klappte geklappt
zwak volledig

Werkwoord

klappen

  1. overgankelijk in orde brengen/maken, kloppend maken
  2. onovergankelijk lukken ww , slagen ww
  3. onovergankelijk een kloppend geluid maken