kleed - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kleed
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kleed | [1.1] kleden[1.2] klederen[1.2] kleren |
| verkleinwoord | kleedje | [1.1] kleedjes[1.2] kleertjes |
Zelfstandig naamwoord
het kleed o
- (textiel) een stuk weefsel
- (textiel), (huishouden) gebruikt als vloer-, tafel- of wandbedekking, karpet, tapijt
▸ ' Caspar Witsen loopt met grote passen naar het midden van het kleed.[3]
▸ Ze nadert het kleed en kijkt naar de papieren op de vloer.[3]- Er lag een prachtig geborduurd kleed op tafel.
- (kleding) gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud, gewaad, kleding
- Zijn kleren werden gewassen.
- (textiel), (huishouden) gebruikt als vloer-, tafel- of wandbedekking, karpet, tapijt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kleden |
kleed
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
- Ik kleed.
- gebiedende wijs van kleden
- Kleed!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
- Kleed je?
Gangbaarheid
- Het woord kleed staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kleed" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "kleed" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kleed op website: Etymologiebank.nl
- 1 2
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be