kleinkind - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinkind kleinkinderen
verkleinwoord kleinkindje kleinkindjes

Zelfstandig naamwoord

het kleinkind o

  1. (familie) kind van zoon of dochter
    • Ik stel mijn kleinkind even aan je voor.
    • Hij deed zijn bedrijf over aan zijn zoon Wouter, kreeg een vriendin en zag zijn kleinkind nog geboren worden.[1]
      De moeder van 11 kinderen had pas op latere leeftijd het wandelen ontdekt. Toen ze eenmaal ging lopen was ze al grootmoeder van 23 kleinkinderen.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. kind van zoon of dochter

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Beschouwingen, Klein In Memoriam voor Kees, 29-01-2008

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinkind kleinkinders

Zelfstandig naamwoord

kleinkind

  1. kleinkind