kleren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord - kleren
verkleinwoord kleertje kleertjes

Zelfstandig naamwoord

de kleren mv

  1. alleen meervoud kleding of kledingstukken
    • Jullie moeten vandaag nieuwe kleren kopen.
      'Mam, waar heb je mijn kleren gelaten?' Nikki richt zich weer tot haar moeder.[3]
      Zonder een hap te eten en met mijn kleren nog aan viel ik meteen in slaap.[4]
      We hadden gegeten bij Marie-Claire en waren inmiddels afgetaaid naar onze slaapkamer, ik lag al in bed met een boek en Lauren stond kleren te vouwen, toen ze werd gebeld.[3]

de kleren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kleed
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. kleding of kledingstukken

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. kleren op website: Etymologiebank.nl
  2. "kleren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

kleren mv

  1. kleren; de kleding of kledingstukken

Veluws

Zelfstandig naamwoord

kleren mv

  1. kleren; de kleding of kledingstukken