klink - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klink klinken
verkleinwoord klinkje klinkjes

Zelfstandig naamwoord

de klink v / m

  1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    • Ik neem de klink vast en doe de deur open.
  2. constructie om een deur gesloten te houden
    • De klink is stuk waardoor de deur steeds opnieuw openzwaait.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. handvat om de deur te openen of te sluiten

2. constructie om een deur gesloten te houden

Werkwoord

vervoeging van
klinken

klink

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klinken
    • Ik klink.
  2. gebiedende wijs van klinken
    • Klink!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klinken
    • Klink je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "klink" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. klink op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be