klokhuis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klokhuis klokhuizen
verkleinwoord klokhuisje klokhuisjes

Zelfstandig naamwoord

het klokhuis o

  1. binnenste van vruchten als appels en peren, met een holle ruimte voor de pitten
    • In het klokhuis van een appel bevinden zich de pitten.
  2. (bouwkunde) bouwsel waarin luidklokken hangen
    Tegen de zuidzijde van het koor bevindt zich de voormalige sacristie, nu kerkeraadskamer, en tegen de westgevel van de zijbeuk een klokhuis.[4]
Vertalingen

1. binnenste van een vrucht

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. klokhuis op website: Etymologiebank.nl
  3. "klokhuis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 18 december 2023 Weblink bron
    E.H. ter Kuile
    “Noord- en Oost-Salland.” (1974), Staatsuitgeverij, Den Haag, ISBN 9012001404, p. 57
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be