klop - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klop kloppen
verkleinwoord klopje klopjes

Zelfstandig naamwoord

de klop m [3] [4]

  1. hoorbare slag
    Olive hoorde een zachte klop op de zolderdeur en ze ging rechtop zitten.[5]
  2. nederlaag of pak slaag
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kloppen

klop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kloppen
    • Ik klop.
  2. gebiedende wijs van kloppen
    • Klop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kloppen
    • Klop je?
      Dan duw ik mezelf omhoog tot ik zit en ik klop het stof van mijn broek.[6]
      Ik klop naast me op het bankje.[6]
      Ik kies voor een middenweg en klop ferm op de deur.[7]

Tussenwerpsel

klop

  1. het geluid dat ontstaat door met een vingergewricht tegen een hard oppervlak te tikken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. klop op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

  5. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  7. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid deelwoord
klop geklop
volledig

Werkwoord

klop

  1. kloppen
    «Ek het geklop aan 'n deur in 'n donker straat agter die teater.»
    Ik klopte op een deur in een donkele straat achter het theater.