knok - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knok knokken
verkleinwoord knokje knokjes

Zelfstandig naamwoord

de knok v / m [3] [4]

  1. knook
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1.

Engels: bone (en) Spaans: hueso (es) m

Werkwoord

vervoeging van
knokken

knok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken
    • Ik knok.
  2. gebiedende wijs van knokken
    • Knok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken
    • Knok je?
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. knok op website: Etymologiebank.nl
  2. knok op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be