knot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A]+[B] enkelvoud meervoud
naamwoord knot knotten
verkleinwoord knotje knotjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de knot v / m

  1. rond zichzelf opgewonden draad of bundel draden, vezels of haar
    • Mijn oma droeg haar prachtige haar, dat langer was dan zijzelf, altijd op een knot.

Zelfstandig naamwoord

[B] de knot m

  1. (steltloperachtigen) bepaald soort kustvogel, Calidris canutus op Wikispecies
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
knotten

knot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van knotten
  2. gebiedende wijs van knotten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. "knot" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. knot op website: Etymologiebank.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
knot knots

Zelfstandig naamwoord

knot

  1. knoop
  2. (steltloperachtigen) knot, kanoet