koeken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
koeken koekte gekoekt
zwak -t volledig

Werkwoord

koeken

  1. ergatief tot een klont, een koek worden
    • Toen die geleverd werd bleek [dat] die zo aan elkaar gekoekt was dat het zout niet in de strooimolens kon.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. tot een klont, een koek worden

enkelvoud meervoud
naamwoord koeken koekens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de koeken v / m

  1. (België) (kaartspel) ruiten

Zelfstandig naamwoord

de koeken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord koek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be