koets - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koets koetsen
verkleinwoord koetsje koetsjes

Zelfstandig naamwoord

de koets v / m

  1. (verkeer) vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
    Het volk houdt zich urenlang op straat op, zelfs in het donker of als het sneeuwt. in de hoop een glimp van haar gezicht op te vangen achter het raam van haar vergulde koets.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden

Werkwoord

vervoeging van
koetsen

koets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    • Ik koets.
  2. gebiedende wijs van koetsen
    • Koets!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    • Koets je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. koets op website: Etymologiebank.nl
  3. "koets" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  4. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be