kok - WikiWoordenboek (original) (raw)

[2]: Een kok

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kok koks
verkleinwoord kokjekokkie kokjeskokkies

Zelfstandig naamwoord

de kok m

  1. (kookkunst) iemand die voedsel bereidt tot een maaltijd
  2. (beroep) iemand die het bereiden van maaltijden als beroep heeft
    In de Nederlandse culinaire wereld wordt geschokt gereageerd op het onverwachtse overlijden van topchef Jonnie Boer, op 60-jarige leeftijd. Veel jonge koks met wie hij werkte, hebben nu hun eigen bekende restaurants. Voor hen was hij een grote inspiratie.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

uiterlijk vertoon bewijst niets ofwel: het gereedschap hebben maakt iemand nog geen vakman

Stoett-1224 [3]

Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord kok kokken
verkleinwoord kokje kokjes

Zelfstandig naamwoord

de kok m

  1. (medisch) (biologie) (informeel) coccus
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
kokken

kok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokken
    • Ik kok.
  2. gebiedende wijs van kokken
    • Kok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokken
    • Kok je?
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "kok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS
  3. www.dbnl.org
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kok koks / kokke
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

kok

  1. (beroep)(kookkunst) kok; iemand die het bereiden van maaltijden als beroep heeft
Anagrammen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

kok

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd gebiedende wijs bedrijvende vorm van koken
Synoniemen
Anagrammen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Naar frequentie 19314

Werkwoord

kok

  1. gebiedende wijs van koke
m[A]+[B]+[C] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief kok koken koker kokene
genitief koks kokens kokers kokenes

Zelfstandig naamwoord

[A] kok, m

  1. klomp, klont, kluit
  2. hoop
Synoniemen
Afgeleide begrippen
o[B]+[C] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief kok koket kok kokakokene
genitief koks kokets koks kokaskokenes

Zelfstandig naamwoord

[B] kok, m / o

  1. (kookkunst) (het) koken, kook
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

aan de kook brengen

Zelfstandig naamwoord

[C] kok, m / o

  1. (kookkunst) partij die in een keer gekookt kan worden
Schrijfwijzen
Synoniemen
Anagrammen

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

kok

  1. gebiedende wijs van koka
Afgeleide begrippen

Werkwoord

kok

  1. gebiedende wijs van koke
Afgeleide begrippen
m[A]+[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief kok koken kokar kokane

Zelfstandig naamwoord

[A] kok, m

  1. klomp, klont, kluit
  2. hoop
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B]: kok, m

  1. (kookkunst) (het) koken, kook
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

aan de kook brengen

o[C] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief kok koket kok koka

Zelfstandig naamwoord

[C] kok, o

  1. (kookkunst) (het) koken
Synoniemen
Anagrammen

Pools

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kok monbezield

  1. knot, haarknot
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

kok

  1. genitief meervoud van koka
Anagrammen

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kok monbezield

  1. (biologie) kok, coccus
  2. cokes
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | kok | koky | | genitief | koku | koků | | datief | koku | kokům | | accusatief | kok | koky | | vocatief | koku | koky | | locatief | koku | kocích | | instrumentalis | kokem | koky |

Schrijfwijzen
  1. kokkus monbezield, kokus monbezield
  2. koks monbezield
Afgeleide begrippen
diplokok enterokok mikrokok kokový stafylokok streptokok tetrakok

Meer informatie

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

kok

  1. genitief meervoud van koka
Anagrammen