krijsen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
krijsen kreeskrijste gekresengekrijst
zwak -tklasse 1 volledig

Werkwoord

krijsen

  1. inergatief luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
    • De katten kresen alsof ze gekeeld werden.
      De heks bleef zwijgend in haar pot roeren. Opeens krijste ze: 'En wat krijg ik als ik dat voor je doe? Sinterklaas, wat krijg ik?'[2]
Vertalingen

1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen

Zelfstandig naamwoord

de krijsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord krijs

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "krijsen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 13
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be