kroon - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1] Kroon

[6] Kroonluchter

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kroon kronen
verkleinwoord kroontje kroontjes

Zelfstandig naamwoord

de kroon v / m

  1. (hoofddeksel), (adel) hoofddeksel dat door een vorst [1] gedragen wordt
    • De koning droeg zijn kroon.
  2. (figuurlijk), (adel) metafoor voor de “vorst”
    • Daarvoor is toestemming van de kroon noodzakelijk.
  3. (figuurlijk) iets wat belangrijk of het belangrijkste is, vooral gebruikt in samenstellingen
    • De kroongetuige bleek niet betrouwbaar te zijn.
  4. (figuurlijk)(tandheelkunde) verwijzing naar de vorm van [1]
    • Hij heeft een kroon in zijn gebit.
    • Ik heb kiespijn,’ zegt Jan Mulder aan de telefoon. ‘Er is een kroon uitgevallen. Een zenuw is ontstoken, drie kronen moeten worden vervangen en aan de andere kant zit een gaatje, dus eten lukt me alleen nog met de voortanden.’ [2]
  5. (financieel) benaming voor verschillende munteenheden gebruikt in Denemarken, IJsland, Noorwegen, Tsjechië en Zweden
    Als ingenieur in dienst van de Noorse staat zou zijn loon 600 Noorse kronen per jaar zijn geweest plus vrije kost en inwoning, dat wilde zeggen het recht om te wonen zoals hij nu woonde maar dan met zes of zeven meter hoge sneeuwhopen voor het huis.[3]
  6. (numismatiek) munstuk met de waarde van 1 kroon
  7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
    • Na het aansteken de kaarsen werd de kroon weer opgehesen.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een echte uitblinker zijn, de beste in iets zijn

Iets heel goed afmaken

Het hoogtepunt van iets wat zorgvuldig in elkaar is gezet, of van iemands arbeidzame leven

Volgens een woordvoerder van het museum kan het Depot als de kroon op zijn werk worden gezien. Aangezien het depot net af is, is dit een logisch moment om door de voordeur te vertrekken, schrijft Rijnmond.[4]

Iedereen stond er met aandachtige toewijding bij en ze hadden allemaal het gevoel dat er een kroon op het werk werd gezet, alsof het succes van de burgerlijke familie op dat moment eindelijk werd gemanifesteerd.[5]

Beconcurreren om een overheersende positie

Geregeerd worden door

Vertalingen

1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt

7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen

Werkwoord

vervoeging van
kronen

kroon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
    • Ik kroon.
  2. gebiedende wijs van kronen
    • Kroon!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
    • Kroon je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "kroon" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. de Volkskrant Nathalie Huigsloot25 januari 2019 interview Jan Mulder

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  4. Bronlink geraadpleegd op 13 mei 2022 Weblink bron “Directeur Sjarel Ex vertrekt bij Museum Boijmans Van Beuningen” (13 mei 2022), NOS

  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord kroon krone

kroon

  1. (hoofddeksel)(adel) kroon
  2. (tandheelkunde) kroon
  3. (numismatiek) kroon, de munteenheid van o.a. Noorwegen
  4. kroon, kroonluchter
stamtijd
infinitief voltooid deelwoord
kroon gekroon
volledig

Werkwoord

kroon

  1. kronen