kruin - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruin kruinen
verkleinwoord kruintje kruintjes

Zelfstandig naamwoord

de kruin v / m

  1. het bovenste deel van het hoofd, dat gewoonlijk met haar bedekt is
    • In sommige kloosterordes hebben de monniken een kruinschering of tonsuur, waarbij het haar van de kruin wordt weggeschoren.
  2. het bovenste deel van een boom waar de bladeren zitten
    • Je zag vanuit de ramen de kruinen van twee grote platanen. [2]
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "kruin" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Sandes, David
    De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 121
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be