kwijl - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kwijl -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het kwijl o

  1. speeksel dat onwillekeurig uit de mond stroomt

Werkwoord

vervoeging van
kwijlen

kwijl

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwijlen
    • Ik kwijl.
  2. gebiedende wijs van kwijlen
    • Kwijl!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwijlen
    • Kwijl je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "kwijl" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be