laak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord laak laken
verkleinwoord laakje laakjes

Zelfstandig naamwoord

de laak v / m

  1. (waterbeheer) een beek of gegraven waterloop, welke in het verleden de grens vormde tussen twee marken: gemeenschappelijke, ongecultiveerde gronden

Werkwoord

vervoeging van
laken

laak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laken
    • Ik laak.
  2. gebiedende wijs van laken
    • Laak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laken
    • Laak je?

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. "laak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3