landgenoot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landgenoot landgenoten
verkleinwoord landgenootje landgenootjes

Zelfstandig naamwoord

de landgenoot m

  1. iemand uit hetzelfde land
    Maar Harald? Ontvoerde landgenoten, geboeid bij een graf, neerschieten? Of hoe die rechtse partijgangers het in de praktijk ook aanpakten.[1]
Synoniemen
Vertalingen

1. iemand uit hetzelfde land

Afrikaans: landgenoot (af) Deens: landsmand (da) g Duits: Landsmann (de) m, Landsmännin (de) v Engels: compatriot (en) Frans: compatriote (fr) IJslands: landi (is) m Italiaans: compatriota (it) Portugees: compatriota (pt) Roemeens: compatriot (ro) Spaans: compatriota (es) Zweeds: landsman (sv)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord landgenoot landgenote

Zelfstandig naamwoord

landgenoot

  1. landgenoot