leraar - WikiWoordenboek (original) (raw)

leraar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leraar NL: lerarenBE: leraars
verkleinwoord leraartje leraartjes

Zelfstandig naamwoord

de leraar m

  1. (onderwijs), (beroep) iemand die lesgeeft
    Toen Milan na vier keer vallen niet meer durfde te springen, verweet de leraar hem voor de hele klas dat hij een lafaard was.[4]
    Die hulp wordt geboden door een leraar of opvoeder, dat wil zeggen door een echte opvoeder.[5]
    • De leraar wist in de moeilijke klas goed orde te houden.
    • Zijn taak als leraar was afgelopen. Kleine Woord zou nu de rest moeten doen. En hij had er het volste vertrouwen in dat het de jongen ook zou lukken. [6]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
leraren

leraar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leraren
    • Ik leraar.
  2. gebiedende wijs van leraren
    • Leraar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leraren
    • Leraar je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. leraar op website: Etymologiebank.nl
  3. "leraar" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280

  5. Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407

  6. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 18
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be