leuning - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leuning leuningen
verkleinwoord leuninkje leuninkjes

Zelfstandig naamwoord

de leuning v

  1. iets waartegen men aan kan leunen
    • Gelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning.
  2. de achterkant van een stoel
    • De leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. iets waartegen men aan kan leunen

2. de achterkant van een stoel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "leuning" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be