lieflijk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lieflijk lieflijker lieflijkst
verbogen lieflijke lieflijkere lieflijkste
partitief lieflijks lieflijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

lieflijk

  1. schilderachtig, liefelijk, lief
    • Op vakantie kwamen we met de fiets in de lieflijkste dorpjes.
    • De paardenfluisteraar had een lieflijke benadering van de paarden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. zie: liefelijk

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. lieflijk op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be