lonken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
lonken lonkte gelonkt
zwak -t volledig

Werkwoord

lonken

  1. inergatief verleidelijk knipogen
    • Zij lonkte naar hem, maar hij ging er niet op in.
    • Zij kon het lonken niet laten, zij lonkte naar iedere man
      Dat liep veel te veel in de gaten, en oh daar kwam narigheid van
      (Friso Wiegersma, 1963, Wim Sonneveld) [2]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "lonken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Zij kon het lonken niet laten
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be