losmaken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
losmaken maakte los losgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

losmaken

  1. overgankelijk ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
    • We moeten eerst die knoop losmaken.
  2. overgankelijk minder vast laten zijn
    • Jullie moeten je echt wat meer losmaken van elkaar.
  3. overgankelijk bemachtigen
    • Ik heb dit mooie huis voor een koopje bij hem kunnen losmaken.
  4. overgankelijk interesses of emoties oproepen
    • Dit gaat een hoop bij mij losmaken...
  5. overgankelijk zich ontdoen van
    • Wie maakt me los?
Vertalingen

1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be