luidruchtig - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen luidruchtig luidruchtiger luidruchtigst
verbogen luidruchtige luidruchtigere luidruchtigste
partitief luidruchtigs luidruchtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

luidruchtig

  1. onaangenaam veel lawaai makend
    • We ergerden ons aan de luidruchtige toeristen.
      De hikers achter plan A waren verstandig en rustig, de mensen van plan B waren luidruchtig maar werden wel aangevoerd door Barbie.[3]
      Geen van de vrolijke en luidruchtige jongens leek ouder dan twintig jaar.[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "luidruchtig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. luidruchtig op website: Etymologiebank.nl
  3. 1 2
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be