lusten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
lusten lustte gelust
zwak -t volledig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

lusten

  1. overgankelijk (voeding), trek [3] hebben in, lekker vinden
    • Ik zou best wel een ijsje lusten.
      Omdat het mij speet dat mijn aankomst zijn rookpauze had verstoord, en omdat het waar was, zei ik hem, terwijl de taxi zich over het grind van ons verwijderde, dat mijn bagage wel even kon wachten, dat ik een lange reis achter de rug had en dat ik ook wel een sigaret zou lusten.[3]
    • Lust jij spruitjes?
  2. overgankelijk (figuurlijk), iets aangenaam of iemand aardig vinden, echter vooral gebruikt in ontkennende zin
    • Iemand niet lusten.
  3. ditransitief (verouderd), met meewerkend voorwerp aanstaan [1], bevallen [1], behagen
    • Dat lust mij niet.
Uitdrukkingen en gezegden

Wel of niet van iets houden

Een stevig lesje krijgen, flink op zijn nummer gezet worden

Iemand er flink van langs willen geven, iemand op zijn nummer willen zetten

Wat vind je daarvan? (waarbij de spreker zich tegenover een ander afkeurend over iets uitlaat)

Spreekwoorden

Mannen zijn ook op hogere leeftijd vaak nog seksueel geïnteresseerd (m.n. in jonge vrouwen)

Dat geloof ik niet, dat is te absurd / Dat is belachelijk, of totaal onredelijk

Zelfstandig naamwoord

de lusten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lust

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. lusten op website: Etymologiebank.nl

  3. Pfeiffer, Ilja Leonard
    “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 11
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be