maaier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maaier maaiers
verkleinwoord maaiertje maaiertjes

Zelfstandig naamwoord

de maaier m

  1. (landbouw) (beroep) iemand die graan of gras maait (voor zijn beroep)
    • Sinds de opkomst van machines in de landbouw is het beroep van maaier uitgestorven.
  2. (landbouw) (techniek) machine die maait
    • Ik heb nog steeds een handmaaier waarmee ik ons grasveld maai maar de meeste mensen gebruiken een elektrische- of een benzinemaaier
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be