maatje - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
A [2]-[4] enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord maatje maatjes

Zelfstandig naamwoord

[A] het maatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord maat
  2. alleen verkleinwoord (persoon) iemand met wie je bij uitstek een nauwe vriendschappelijke relatie hebt
  3. alleen verkleinwoord inhoudsmaat van 0,1 liter
  4. alleen verkleinwoord (voeding) eerste, jonge haring van het seizoen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

3. inhoudsmaat van 0,1 liter

Zelfstandig naamwoord

[B] het maatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord ma, moeder

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. maatje op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be