maatje - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- [A] maat·je
- [B] ma·tje
Woordherkomst en -opbouw
- [A] afgeleid van maat zn met het achtervoegsel -je [1]
- [B] afgeleid van ma zn met het achtervoegsel -tje
| A [2]-[4] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | - | - |
| verkleinwoord | maatje | maatjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] het maatje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord maat
- alleen verkleinwoord (persoon) iemand met wie je bij uitstek een nauwe vriendschappelijke relatie hebt
- alleen verkleinwoord inhoudsmaat van 0,1 liter
- alleen verkleinwoord (voeding) eerste, jonge haring van het seizoen
Synoniemen
- [2] vriendje
- [3] deciliter
- [4] maatjesharing
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- [1] maatjespeer
- [4] maatjesharing
Overerving en ontlening
Vertalingen
3. inhoudsmaat van 0,1 liter
Zelfstandig naamwoord
[B] het maatje o
Gangbaarheid
- Het woord maatje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "maatje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
Verwijzingen
- ↑ maatje op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be