mal - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mal maller malst
verbogen malle mallere malste
partitief mals mallers -

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. (v. mensen) blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
    • Ben je nu mal?
  2. ondoordacht
    • Wat een malle beslissing.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand

enkelvoud meervoud
naamwoord mal mallen
verkleinwoord malletje malletjes

Zelfstandig naamwoord

de mal m

  1. (techniek) holle gietvorm
    • Het ijzer wordt in een mal gegoten.
  2. (techniek) grafische vorm die voor herhaaldelijk gebruik is bedoeld
    • Een mal voor meermalig gebruik.
Synoniemen
Hyponiemen
Anagrammen
Vertalingen

1. een holle gietvorm

Werkwoord

vervoeging van
mallen

mal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mallen
    • Ik mal.
  2. gebiedende wijs van mallen
    • Mal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mallen
    • Mal je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "mal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

mal [A]

  1. mal; blijk gevend van gebrek aan gezond verstand

Bijwoord

mal

  1. heel, erg

Angelsaksisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mal o

  1. moedervlek; een zichtbare, meestal gepigmenteerde huidaandoening
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Cimbrisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mal o

  1. maal, maaltijd
Verwante begrippen

Duits

Woordafbreking

Bijwoord

mal

  1. maal, keer
    «Sechs mal sieben ist zweiundvierzig.»
    Zes maal zeven is tweeënveertig.

Frans

Uitspraak

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------- | | mannelijk | mal | maux | | vrouwelijk | male | males |

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. (slechts in bepaalde constructies en uitdrukkingen) slecht
Uitdrukkingen en gezegden

Uitdrukkingen en gezegden

bon an, mal an_gemiddeld per jaar_ bon gré, mal gré_tegen wil en dank; goedschiks of kwaadschiks_ être mal avec quelqu'un_ruzie hebben met iemand_

Bijwoord

mal

  1. slecht
    «J'ai mal entendu.»
    Ik heb het slecht verstaan.
Uitdrukkingen en gezegden

Uitdrukkingen en gezegden

de mal en pis_van kwaad tot erger_ mal à propos_te onpas_ prendre mal kwalijk nemen se trouver mal flauwvallen
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mal le mal maux les maux

Zelfstandig naamwoord

mal m

  1. pijn
    «J'ai mal à la tête.»
    Ik heb hoofdpijn.
  2. moeite
    «J'ai du mal à m'imaginer cela.»
    Ik heb moeite om me dat in te beelden.
  3. het kwaad, het slechte.
    «Le mal et le bien.»
    Het slechte en het goede.
Uitdrukkingen en gezegden

Uitdrukkingen en gezegden

dire du mal de quelqu'un_kwaadspreken van iemand_ être en mal d'enfant_barensweeën hebben_ faire du mal à_benadelen_ faire mal pijn doen le mal est que ...het ergste is dat ... les maux de la guerre_de verschrikkingen van de oorlog_ mal de cœur_misselijkheid_ mal du pays_heimwee_ Mal du siècle_Weltschmerz_ se donner du mal moeite doen

Limburgs

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

mal

  1. mal; holle gietvorm

Middelnederduits

Woordafbreking

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. mal
Overerving en ontlening

Nedersaksisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

mal [A]

  1. mal

Bijwoord

mal [B]

  1. maal
Schrijfwijzen

Noors

Woordafbreking

Werkwoord

mal

  1. gebiedende wijs van utrydda (betekenissen: malen, fijnmalen, vermalen)

Nynorsk

Woordafbreking

Werkwoord

mal

  1. gebiedende wijs van mala (betekenissen: malen, fijnmalen, vermalen)

Werkwoord

mal

  1. gebiedende wijs van male (betekenissen: malen, fijnmalen, vermalen)

Werkwoord

mal

  1. verouderde spelling of vorm van mål tot 2012

(verouderd) lijdende vorm van mala ww en male ww (betekenis: afmeten)

Slowaaks

Woordafbreking

Werkwoord

mal

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd bedrijvende vorm onvoltooid aspect van mať

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
mal males

Zelfstandig naamwoord

mal m

  1. kwaad
  2. schade
  3. pijn, gebrek, kwaal

Bijwoord

mal

  1. slecht
  2. verkeerd
  3. lastig
  4. vies

Westfaals

Bijvoeglijk naamwoord

mal

  1. (Münsterlands) mal

Zweeds

mals enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief mal malen malar malarna
genitief mals malens malars malarnas

Zelfstandig naamwoord

mal, g

  1. (straalvinnigen) meerval
  2. (vlinders) mot